Mini Avontuur

Bobsbrains_expeditie5

De avond ervoor had ik met mezelf gewed dat het niet door zou gaan. Maar om 7:15 stond ik op verzoek van de oudste naast mijn bed en een kwartier later naast de bakfiets.  Ongedoucht. De beide kinderen nog in pyjama. Zoals beloofd. Een regenachtige vrijdagmorgen, met een aangename temperatuur. “Dag papa, we gaan op mini-avontuur!” riepen ze hard naar boven en weg waren we.

De beroepsavonturier Alastair Humphreys had mij tot dit alles aangezet met zijn blogs. Humphreys stelt dat ook kleine avonturen herinneringen voor het leven kunnen worden. Micro adventures noemt hij ze. Hij spoort ons allen daar met zoveel enthousiasme toe aan, dat er na kennismaking geen weg terug is.

Voorwaarde was dat de kinderen er bij ontwaken zelf om zouden vragen. Aldus geschiedde. In de termen van Humphreys zou ons avontuur niet eens de naam “micro” hebben mogen dragen. Een doodgewoon tochtje naar het strand. Die zitten er voor ons wel vaker bij. Maar vrijwel nooit zo vroeg en nooit met deze insteek, deze aandacht voor toeval en nieuwsgierigheid. De tocht naar het strand is vaak het middel, nooit het doel. Door het verhaal er omheen hing er iets avontuurlijks in de lucht.

Ik liet me leiden door de vragen van de kinderen, hun verhalen, fantasie en tijd. We stapten af bij een groep grazende paarden, bespraken wat schrikdraad was, waarom één van de paarden wel een halster droeg en de rest niet, of we van harde regen hielden, wat een boswachter deed en of hij van ieder losslingerend papiertje wist wie het had weggegooid. Ze vroegen me wat verdwalen was, of het leuk was of eng. Ze vertelden me dat de dieren niet zouden schrikken van hun harde stemmen maar wel van het geluid van mijn bakfiets. Ze verbaasden zich erover dat ik de blauwe langharige koe had gemist die midden in de duinen had gestaan.

Ze vroegen zich hardop af of er olifanten in de duinen liepen en wat duinen eigenlijk waren, of er weleens een dier vastzat in een wildrooster en wat een verboden gebied was. Ze vroegen en verbaasden zich tot we het strand bereikten.

Het enige standtentje ademde net de geur van verse koffie uit en was er een hond. Ik genoot van de leegte en kwam nog een belofte na. Hand in hand renden we in onze miezerige badkleding de zee tegemoet. Ik wilde even niet denken aan snotneuzen en blauwe lippen. We renden, sprongen, hand in hand, en….de enige kou bleek van de wind te komen. Onverwacht aangenaam. Meer vragen. Harder gillen. Hoger springen.

Met een emmer vol verhalen en zand tussen tanden, haren en tenen, keerden we huiswaarts. “Als ik later groot ben wil ik paardrijder worden. En boswachter.”

Volgende keer nemen we de slaapzakken mee.